Hybride stelsel box 3

Fiscaal

(Uit VVP-special Business Support 2025) Het uitblijven van duidelijkheid over de voorgenomen wet werkelijk rendement box 3 maakte het leven voor adviseurs in bepaalde klantsituaties lastig. Inmiddels is het wetsvoorstel ingediend bij de Tweede Kamer en is er meer duidelijkheid. Er is gekozen voor een hybride benadering met een vermogensaanwas- en een vermogenswinstbelasting.

(Artikel geschreven voor de val van het kabinet)

In het nieuwe stelsel – beoogde invoeringsdatum 1 januari 2028 - wordt inkomstenbelasting als hoofdregel geheven over het werkelijke rendement uit sparen en beleggen op basis van vermogensaanwas. Hierbij worden de werkelijke inkomsten uit vermogen en de (positieve of negatieve) waardeontwikkeling belast en zijn kosten aftrekbaar. Voor onroerende zaken en aandelen in of winstbewijzen van startende ondernemingen geldt als uitzondering op de hoofdregel een vermogenswinstbelasting. Daardoor wordt waardeontwikkeling voor deze vermogensbestanddelen belast bij realisatie, zoals bij verkoop. De reguliere inkomsten van onroerende zaken en aandelen in of winstbewijzen van startende ondernemingen, zoals huur en dividend, zijn belast in het jaar waarin zij worden ontvangen.

Overigens blijven roerende zaken voor eigen gebruik, zoals auto’s, caravans en boten, net als in het huidige box 3-stelsel buiten de belastingheffing. Dure gebruiksgoederen leveren doorgaans geen te belasten rendement op en veelal is sprake van een waardedaling. Een uitzondering geldt voor roerende zaken die hoofdzakelijk ter belegging worden aangehouden, wat bijvoorbeeld bij een kunstcollectie het geval kan zijn.

Het uitgangspunt is dat het nieuwe stelsel geldt voor alle vermogensbestanddelen die in het huidige box 3-stelsel vallen. Het geldt dus niet voor vermogen dat in box 1 of box 2 valt.

Bepalen vermogensaanwas

De vermogensaanwas wordt bepaald door de volgende vermogensvergelijking: (1) het verschil tussen de waarde in het economische verkeer aan het eind van het kalenderjaarjaar van de bezittingen en schulden en de waarde in het economische verkeer aan het begin van het kalenderjaar van de bezittingen en schulden; (2) verminderd met de stortingen; en (3) vermeerderd met de onttrekkingen.

Vermogen dat wordt ingebracht in box 3 en onder de vermogensaanwasbelasting gaat vallen, wordt aangemerkt als een storting. De vermindering met de stortingen zorgt ervoor dat elementen die wel leiden tot een hoger eindvermogen maar niet het resultaat zijn van een vermogensaanwas buiten de vaststelling van het voordeel blijven. Omgekeerd wordt vermogen dat aan het vermogensaanwasregime wordt onttrokken weer bij het eindvermogen opgeteld.

Omdat het werkelijke inkomen in een belastingjaar – anders dan bij het huidige forfaitaire inkomen – negatief kan zijn als gevolg van negatieve waardemutaties of kostenaftrek, wordt de mogelijkheid van verliesverrekening geïntroduceerd.

Verzekeringsproducten vallen in het voorstel onder de vermogensaanwasbelasting. De verzekeraars zullen echter meer gegevens moeten aanleveren dan in het huidige stelsel, waar enkel de waarde op 1 januari van belang is.

Voorgesteld wordt om verzekeringsproducten met een verzekerd kapitaal (in euro’s of in een andere valuta) te waarderen op de actuariële reservewaarde van de verzekering. Dit is een vereenvoudiging van de heffing en de gegevensuitwisseling tussen verzekeringsmaatschappijen en de Belastingdienst. De actuariële reservewaarde is de waarde die verzekeraars jaarlijks berekenen en voor hun eigen jaarstukken nodig hebben.

Heffingsvrij resultaat

Bij de overgang naar een stelsel van belastingheffing op basis van werkelijk rendement wordt het huidige heffingvrije vermogen omgezet in een heffingsvrij resultaat. Een heffingsvrij resultaat sluit volgens het kabinet beter aan bij de systematiek van een heffing over het werkelijke rendement en bij het draagkrachtbeginsel. Het voorstel is om het heffingsvrije resultaat op 1.800 euro te bepalen. De meeste belastingplichtigen met een klein vermogen, dat onder het huidige heffingvrije vermogen blijft (57.684 euro in 2025), zullen naar alle waarschijnlijkheid ook onder het heffingsvrije resultaat blijven. Overigens is het plan om het heffingvrij vermogen vanaf 2026 te verlagen naar 51.396 euro.

Voor het belaste inkomen in box 3 wordt een vlak belastingtarief van 36 procent voorgesteld. Dat is hetzelfde percentage als nu.

Voor de categorie ‘onroerende zaak het gehele jaar niet verhuurd’ zoals een vakantiewoning wordt een vastgoedbijtelling ter hoogte van 3,35 procent van de WOZ-waarde voorgesteld. De vastgoedbijtelling zal periodiek worden herijkt op basis van actuele gegevens over de huurwaarden en over de kosten, waarbij het eerste moment samenvalt met de evaluatie van de wet vijf jaar na de inwerkingtreding.

Bij inwerkingtreding van dit wetsvoorstel per 1 januari 2028 wordt de beginwaarde voor alle woningen in box 3 gesteld op de WOZ-waarde van die woning die is gebaseerd op de waardepeildatum 1 januari 2028 (dat is de WOZ-waarde voor het kalenderjaar 2029).

Niet-opeisbare geldvorderingen op de langstlevende ouder van de belastingplichtige of bezittingen waarop een genotsrecht rust ten behoeve van de langstlevende ouder van de belastingplichtige die ontstaan op basis van het wettelijke erfrecht of op grond van een testament worden in het huidige box 3-stelsel niet in aanmerking genomen. De blote eigenaar (het kind) geeft deze bezittingen niet aan en de vruchtgebruiker (vaak de langstlevende ouder) geeft de volle waarde van de bezittingen aan. Het betreffende artikel is ongewijzigd overgenomen in het wetsvoorstel.

‘Verzekeringsproducten vallen onder vermogensaanwasbelasting’

Verzekeringsproducten

Met betrekking tot de vrijstellingen voor verzekeringsproducten worden enkele inhoudelijke wijzigingen voorgesteld. De volgende bezittingen blijven net zoals in het huidige stelsel (onder voorwaarden) vrijgesteld: bepaalde levensverzekeringen, kapitaalsuitkeringen die uitsluitend kunnen plaatsvinden bij invaliditeit, ziekte of ongeval, nettolijfrenten en nettopensioenen.

Voorgesteld wordt om zuivere overlijdensrisicoverzekeringen in het nieuwe stelsel volledig vrij te stellen van box 3-heffing. Voorziet de verzekering ook in een uitkering bij leven (gemengde verzekering), of een opnamemogelijkheid vóór het overlijden, dan is deze vrijstelling niet van toepassing.

Verder wordt voorgesteld om het overgangsrecht voor kapitaalverzekeringen die zijn afgesloten vóór 2001 af te schaffen. Dit geldt ook de imputatieregeling voor kapitaalverzekeringen in box 3. Echter niet de imputatieregeling voor de vrijgestelde producten die zijn afgesloten in de periode van 2001 tot en met 2012 voor de aflossing van de eigenwoningschuld. Dat betreft de kapitaalverzekering eigen woning, de spaarrekening eigen woning en het beleggingsrecht eigen woning die allen in box 1 horen. Deze producten vallen hoe dan ook niet onder het overgangsrecht, maar ook geldt volgens het kabinet: “Door de samenhang met de eigen woning is de historie van deze producten beter te volgen dan bij de deels al lang vóór 2001 bestaande kapitaalverzekeringen, waardoor de imputatieregeling op de verzekerings- of spaarproducten voor de eigen woning beter kan worden toegepast.”

Reactie toevoegen

 
Meer over
Kennissessie Allianz Pensioen & Vermogen: vergroot je advieskracht

Kennissessie Allianz Pensioen & Vermogen: vergroot je advieskracht

‘Vergroot je advieskracht met benchmarkinzichten’. Dat is de titel van de kennissessie die Tjitsger Hulshoff, Lead Pension & Annuities bij Allianz,...

Kennissessie Brand New Day Pensioen & Vermogen: gedrag en beleggen

Kennissessie Brand New Day Pensioen & Vermogen: gedrag en beleggen

Gedrag en beleggen vormt het thema van de kennissessie die Guido Baltussen (Northern Trust) verzorgt namens Brand New Day op het kennisevent Pensioen & Vermogen...

Belastingdienst in memo: pensioenregeling tijdig aanpassen

Belastingdienst in memo: pensioenregeling tijdig aanpassen

In een onlangs uitgegeven memo behandelt de Belastingdienst de fiscale gevolgen wanneer een pensioenregeling niet tijdig wordt aangepast aan gewijzigde fiscale wet-...

Fiscaliteit van belang voor distributie beleggingsproducten

Fiscaliteit van belang voor distributie beleggingsproducten

Beleggingsondernemingen moeten bij de distributie van beleggingsproducten ook externe factoren meewegen, zoals fiscaliteit. Zo worden bijvoorbeeld beleggingen in...

Weer meer miljonairs

Weer meer miljonairs

Op 1 januari 2024 had 5,5 procent van de huishoudens een vermogen van een miljoen euro of meer. Dat zijn 452.000 huishoudens, 17.000 meer dan een jaar eerder. Vooral...

Vaar een duidelijke koers

Vaar een duidelijke koers

(Richard Meinders, SVC Groep en lid VVP Ondernemerspanel, in VVP-special Business Support 2025) Ontwikkel een duidelijke visie en koppel hier strategische doelen...

Belastingplan 2026

Belastingplan 2026

Staatssecretaris Heijnen (Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane) heeft dinsdag het pakket Belastingplan 2026 aangeboden aan de Tweede Kamer. Om te zorgen dat het...

En-en ondernemen in de adviespraktijk

En-en ondernemen in de adviespraktijk

(Jack Vos, Onesurance en lid VVP Ondernemerspanel, in VVP-special Business Support 2025) “Moet ik kiezen tussen persoonlijk advies of digitaal gemak?”...

Inspelen op juridische uitdagingen

Inspelen op juridische uitdagingen

(Robin van Beem, BrandMR en lid VVP Ondernemerspanel in VVP-special Business Support 2025) Financieel adviseurs opereren in een snel veranderende wereld. Zij hebben...

Kabinet dicht belastinglek in box 3 bij obligaties

Kabinet dicht belastinglek in box 3 bij obligaties

In box 3 is een volgens de regering ongewenst belastinglek ontstaan bij de aankoop van obligaties met zogeheten aangegroeide rente. Het kabinet neemt met een wetswijziging...